Hheel lang geleden, zoals oude mensen me vertelden, werd het land geteisterd door een gruwelijk monster uit het koude noorden. Het monster was zo verschrikkelijk dat de wijsheren hem de verschrikkelijkste naam gaven die ze maar bedenken konden: Y’arnoth. Het monster vernietigde hele lappen grond en verslond zowel mens als dier. Men was bang dat indien er geen hulp zou komen, er geen levend wezen meer zou overblijven. Y’arnoth had een lichaam als een os, benen als een kikker, twee korte voorpoten en twee lange achterpoten. Zijn staart was alsof een slang van wel twintig meter lang. Wanneer het monster zich voortbewoog, sprong hij als een kikker met sprongen van wel een kilometer ver. Y’arnoth had de gewoonte om meerdere jaren in hetzelfe gebied te verblijven en pas weer verder te trekken wanneer er niets meer te eten viel. Niets of niemand kon er op jagen, want heel zijn lichaam was bedekt met schubben harder dan steen en metaal. Zijn twee grote ogen gaven licht; zo fel als de Poolster op een heldere zomernacht. Zij die per ongeluk in zijn ogen keken, werden als het ware betoverd waardoor ze gedwongen werden richting de reusachtige kaken te lopen. Zo kon Y’arnoth zich voeden met man en dier zonder er iets voor te hoeven doen; hij kon blijven liggen waar hij lag.

De koningen loofden rijkelijke beloningen uit voor diegene die het monster zou kunnen doden. Velen hebben het geprobeerd, maar allen faalden grandioos. Zo stak men een keer het bos waar het monster lag te slapen in brand, maar het vuur deerde Y’arnoth geenszins. Volgens de wijsheren van het land zou er echter een magische ring bestaan die hulp zou kunnen bieden. Het zou gaan om de lang verloren zegelring van koning Solomon. In die ring zou een inscriptie staan die het geheim bevatte over hoe Y’arnoth vernietigd kon worden. Mocht de ring al ooit gevonden worden dan zou geen van de wijsheren de benodigde kennis hebben om de inscriptie te kunnen ontcijferen.

Op een dag besloot een jonge man, dapper van doen en wijs van raad, op zoek te gaan naar de ring. Zijn naam was Coenraad. Hij reisde richting zonsopkomst, want hij wist dat alle oude wijsheid uit het oosten kwam. Na enkele jaren op pad te zijn geweest, ontmoette hij een magiër met een zwarte raaf op zijn schouder. Coenraad vertelde hem het verhaal over de gruwelijke Y’arnoth en vroeg hem naar advies over de ring. De magiër antwoordde:

“Stervelingen zijn te nietig om de wijsheid die je zoekt in pacht te hebben. De vogels van de lucht zouden betere gidsen voor je zijn; mits je hun taal zou kunnen leren. Als je een paar dagen bij me blijft, dan kan ik je hun taal wel leren verstaan.”

Coenraad aanvaardde het aanbod dankbaar en zei: “Op dit moment kan ik uw goedheid niet belonen, maar mocht mijn onderneming slagen dan zal ik u rijkelijk belonen.”

De magiër brouwde een geurige drank gemaakt van negen soorten kruiden. Hij had de kruiden zelf verzameld gedurende het laatste kwartier van de maan. Coenraad moest drie dagen lang iedere dag negen lepels van de drank nemen. De drank zou hem de taal der vogels leren begrijpen. Coenraad oefende de taal met de zwarte raaf van de magiër. Toen hij de taal eenmaal kon verstaan en weer op pad wilde gaan zei de magiër: “Mocht je Solomons ring ooit vinden en kunnen bemachtigen, neem hem dan mee terug naar mij. Ik zal dan de inscriptie voor je ontcijferen — er is niemand anders ter wereld die dat kan.”

Sindsdien voelde Coenraad zich nooit meer alleen tijdens zijn reis. Hij had nu voortdurend gezelschap omdat hij de taal der vogels begreep. Zo leerde hij onderweg veel nieuwe liederen en vergaarde hij veel kennis. Maar de tijd verstreek en Coenraad had nog niets van de beruchte ring vernomen. Op een avond, toen hij moe van het lopen was, ging Coenraad onder een boom zitten om even te rusten. Daar zag hij twee felgekleurde vogels in de boom zitten. De vogels spraken over hem; een van de vogels zei:

“Kijk daar, ik heb verhalen gehoord over die zwervende dwaas. Hij is nu al jaren op pad zonder te vinden wat hij zoekt. Hij is op zoek naar de verloren ring van koning Solomon.”

De andere vogel antwoordde: “Hij moet Betlindis, de maagdelijke heks, om hulp vragen. Zij kan hem vast en zeker op het goede spoor brengen. Als ze de ring al niet zelf heeft dan weet ze vast wie hem wel heeft.”

“Maar waar kan hij de heks vinden?” zei de eerste vogel. “Ze heeft geen vaste verblijfplaats en gaat en staat waar ze wilt. Hij zou net zo goed de wind achterna kunnen rennen.”

De andere vogel antwoordde: “Ik weet niet zeker waar Betlindis nu is, maar over drie nachten komt ze weer naar de waterbron. Ze komt er iedere maand om daar bij volle maan haar gezicht te wassen. Zo wordt ze nooit oud, krijgt ze geen rimpels en behoudt ze haar eeuwige jeugd.”

“De waterbron is hier niet ver vandaan,” zei de eerste vogel, “Laten we gaan kijken. Ik wil de heks wel eens zien.”

Coenraad nam zich voor om de vogels naar de waterbron te volgen. Maar wat indien de vogels zouden vertrekken terwijl hij sliep? Of wat indien hij de vogels uit zicht zou verliezen? — hij had immers geen vleugels om hen gemakkelijk te kunnen volgen. Coenraad was te vermoeid om heel de nacht wakker te blijven, maar door alle zorgen deed hij amper een oog dicht. Bij het aanbreken van de ochtend zag hij dat zijn felgekleurde gezelschap nog steeds in de boom zat. De vogels sliepen nog, met hun hoofden onder hun vleugels. Hij at zijn ontbijt en wachtte tot de vogels zouden vertrekken, maar ze bleven heel de dag in de buurt. Ze sprongen van tak naar tak en van boom naar boom, op zoek naar eten. Zo ging het de hele dag door totdat ze ’s avonds weer gingen slapen.

De dag erna verliep precies hetzelfde, maar in de vroege ochtend van de derde dag zei de ene vogel tegen de andere: “Vanavond komt Betlindis, de maagdelijke heks, naar de waterbron. Laten we op tijd vertrekken.”

Ze bleven tot de middag op de boom zitten en vlogen toen richting het zuiden. Coenraads hart klopte van spanning; hij mocht de vogels niet uit zicht verliezen. De vogels waren snel, maar hij kon ze nog net in zicht houden totdat de vogels bij een boom landden. Coenraad rende als de bliksem totdat hij uitgeput en buiten adem bij de boom aankwam. De vogels vlogen meteen weer verder en na zo nog drie keer kort rust te hebben gehouden kwamen ze aan bij een open plek in het bos. Daar gingen ze hoog in een boom zitten. Toen Coenraad er eindelijk aankwam, zag hij te midden van de open plek een heldere waterbron. Hij ging onder de boom zitten waar de vogels ook zaten en luisterde aandachtig naar wat ze zeiden.

“De zon is nog niet gedaald.” zei de eerste vogel, “We moeten nog even wachten tot de maan opkomt en Betlindis zal verschijnen. Denk je dat ze hem onder de boom zal zien zitten?”

“Haar zal heus niets ontgaan, zeker een jonge man niet. Je kunt je beter afvragen of hij verstandig genoeg is om zichzelf niet in de nesten te werken.”

“We wachten af,” zei de eerste vogel, “en dan zien we vanzelf wel hoe het verloopt.”

De avond viel en de volle maan verlichtte inmiddels het bos. Coenraad hoorde een zacht geritsel en er verscheen een jonge vrouw. Ze was geheel in het wit gekleed. Ze leek wel over het gras te zweven; haar voeten raakten amper de grond. Terwijl ze daar in haar witte gewaad naast de waterbron stond, kon Coenraad zijn blik niet van haar afwenden — nog nooit had hij zo’n mooie vrouw gezien. Hij vroeg zich af of dit wel de maagdelijke heks was waarover de vogels hadden gesproken. Zonder kennelijk iets in de gaten te hebben, keek de jonge vrouw op naar de volle maan, knielde ze neer en waste ze haar gezicht negen keer. Ze keek weer op naar de maan en liep negen keer rond de waterbron. Ze zong het volgende lied:

    Luna, moeder van dochters van de Maan,
    Laat U mijn schoonheid nimmer vergaan.
      Ik verzoek U eerbiedig en verheugd!

    Reinigt U mij deze zilveren nacht,
    Met water verrijkt door Uw almacht.
       Geef Uw dochter de eeuwige jeugd!

De jonge vrouw droogde haar gezicht met haar lange haren. Net toen ze weg wilde gaan viel plots haar blik op de jonge man die daar onder de boom zat. Ze keerde zich naar de boom en Coenraad stond geschrokken op. Toen zei ze: “Je dient gestraft te worden voor het bespieden van mijn geheime maan ritueel. Maar ik zal je voor deze keer vergeven, je bent tenslotte vreemd hier en je weet niet beter. Maar zeg me eerlijk wie je bent en hoe je op deze plek terecht bent gekomen. Hier heeft immers nog nooit een sterveling gelopen.”

Coenraad antwoordde beleefd: “Vergeeft u me, mooie vrouw, het was niet mijn bedoeling u te laten schrikken. Ik ben al lang op reis en toen ik hier terecht kwam leek het me een goede plek om rust te houden. Ik wist niet goed wat ik moest doen toen u aankwam. Ik bleef waar ik was, want ik dacht dat mijn stille toekijken geen kwaad zou kunnen.”

De jonge vrouw antwoordde vriendelijk: “Kom, slaap bij ons. Je zult beter op een zacht kussen slapen dan op dit drassige mos. Mijn naam is trouwens Betlindis.” Het was dus toch de maagdelijke heks waarover de vogels hadden gesproken.

Coenraad twijfelde even maar hoorde de vogels meteen zeggen: “Doe alles wat ze van je verlangt, maar wat je ook doet, geef haar nooit je bloed; je verkoopt anders je ziel.” En zo ging Coenraad met de jonge schoonheid mee. Na een korte wandeling bereikten ze een huisje met een mooiste tuin. Het huisje schitterde in het maanlicht alsof het van goud en zilver gemaakt was. Coenraad voelde zich onzeker; had hij de vogels niet horen zeggen dat de heks geen vaste verblijfplaats had? Eenmaal binnengekomen zag hij een grote ruimte. Er dansten honderden vlammetjes op de gouden kaarsen; ze gaven licht alsof de zon op een heldere lentedag. Er stond een tafel met daarop een kostbaar servies. Er stonden dertien stoelen, twaalf van zilver en één van goud. Betlindis ging op de gouden stoel zitten en bood Coenraad een zilveren stoel aan. Ze werden bediend door drie jonge meisjes die evenals Betlindis geheel in het wit gekleed waren. Hun voeten maakten geen geluid terwijl ze bewogen en er werd geen woord gesproken tijdens de maaltijd. Na het eten vertelden Coenraad en Betlindis nog de hele avond samen, totdat er ineens een vrouw naar binnen kwam. Ze was geheel in het rood gekleed en ze kwam Betlindis eraan herinneren dat het bedtijd was. Coenraad werd naar een kamertje begeleid waar een zijden bed stond met daarop de zachtste kussens. Coenraad sliep er heerlijk maar hoorde wel heel de nacht de vogels herhalen: “Onthoudt dat je geen bloed geeft!”

De volgende ochtend vroeg Betlindis hem of hij niet voor altijd bij haar in dit mooie huisje zou willen blijven. Coenraad wist niet wat hij zeggen moest. Betlindis vervolgde: “Aangezien ik altijd jong en mooi zal blijven en ik kan doen en laten wat ik wil, heb ik nooit eerder over trouwen nagedacht. Maar toen ik jou voor het eerst zag, vond ik je meteen heel charmant. Met al mijn kostbare bezittingen zouden we samen als prins en prinses kunnen leven.”

Coenraad kon de verleiding maar moeilijk weerstaan, maar hij herinnerde zich hoe de vogels haar de maagdelijke heks hadden genoemd en hoe ze hem hadden gewaarschuwd. Hij antwoordde daarom voorzichtig: “Wees niet boos Betlindis, maar ik kan nu niet meteen zo’n belangrijke beslissing nemen. Geef me een paar dagen bedenktijd.”

“Waarom niet?” antwoordde Betlindis, “Denk er gerust een paar weken over na en luister vooral goed naar je hart.”

De rest van de dag leidde ze Coenraad rond door haar verblijf en liet ze hem al haar kostbare bezittingen zien. Coenraad dacht dat het allemaal echt was, maar deze rijkdommen kwamen allemaal voort uit toverkunst. Betlindis kon, met behulp van de zegelring van koning Solomon, laten verschijnen wat ze wilde. Geen van deze rijkdommen bleven voor altijd bestaan, ze zouden weer in het niets opgaan zonder enig spoor achter te laten.

De volgende dag nam Betlindis hem mee naar een geheim kamertje waar een klein, gouden doosje op een zilveren tafel stond. Ze wees naar het doosje en zei: “Dit is mijn dierbaarste juweel; zoiets is nergens ter wereld te vinden. Het is een gouden ring. Wanneer je met me trouwt, zal ik je deze ring als huwelijksgeschenk geven. Je zult de gelukkigste sterveling op aarde zijn. Maar om onze liefde voor altijd te laten voortduren, moet je me in ruil voor de ring drie druppels bloed van je linker pink geven.”

Toen Coenraad deze woorden hoorde, liep er een koude rilling over zijn lijf — zijn ziel stond op spel. Hij probeerde zijn emoties te verbergen en Betlindis niet meteen antwoord te geven. Hij vroeg haar slechts, alsof er niets aan de hand was, wat er zo bijzonder aan de ring was.

Ze antwoordde: “Er is geen sterveling die de kracht van deze ring geheel kan bevatten, want er is niemand die de inscriptie helemaal kan ontcijferen. Maar zelfs met het beetje wat ik erover geleerd heb, kan ik de wonderlijkste dingen doen. Als ik de ring om mijn linker pink doe, dan kan ik als een vogel door de lucht vliegen, waarheen ik maar wil. Als ik de ring om mijn linker ringvinger doe, dan ben ik onzichtbaar. Ik kan dan alles rondom me zien, maar niemand kan mij dan zien. Als ik de ring om mijn linker middelvinger doe, dan kunnen vuur, noch water, noch scherpe wapens me deren. Als ik de ring om mijn linker wijsvinger doe, dan kan ik met behulp van de ring creëren wat ik wil. Zo kan ik met slechts een vingerknip een heel huis bouwen. Tenslotte, als ik de ring om mijn linker duim doe, dan wordt mijn hand zo sterk dat ik er met gemak rotsen en muren mee kan stukslaan. De ring biedt waarschijnlijk nog meer krachten, maar niemand heeft de inscriptie ooit verder kunnen ontcijferen. De inscriptie bevat ongetwijfeld waardevolle geheimen. De ring was ooit eigendom van koning Solomon, de wijste der koningen, gedurende wiens heerschap de wijste mensen leefden. Men zegt dat hij de ring van een engel heeft gekregen.”

Toen Coenraad dit hoorde was hij vastbesloten om in het bezit van de ring te komen. Hij wenste dat Betlindis hem de ring zou laten vasthouden, maar het zou verdacht zijn om er nu naar te vragen. Betlindis borg de ring weer op in het gouden doosje. Ze keek om naar Coenraad en glimlachte. Toen een paar dagen later de ring weer ter sprake kwam, zei Coenraad: “Het lijkt me onmogelijk dat de ring al die krachten bezit die je zegt.”

Betlindis opende het doosje en pakte de ring eruit. De ring schitterde als de helderste zonnestraal. Ze deed de ring om de middelvinger van haar linkerhand en vroeg Coenraad om een dolk te pakken en haar er zo hard als mogelijk mee te steken. Coenraad vond het maar niets, maar Betlindis drong er op aan. Hij probeerde, eerst speels alsof en daarna serieus, om haar met de dolk te steken. Er leek ineens een onzichtbare muur tussen hen te zijn opgetrokken. Betlindis stond ongedeerd te lachen. Toen deed ze de ring om haar linker ringvinger en zo was ze plots uit zijn zicht verdwenen. Ineens stond ze weer naast hem te lachen terwijl ze de ring tussen haar vingers hield.

“Laat me ook eens proberen,” zei Coenraad speels, “of ik ook deze wonderlijke dingen kan doen.”

Betlindis vertrouwde hem en gaf hem de magische ring. Coenraad deed alsof hij was vergeten wat hij moest doen. Hij vroeg haar om welke vinger hij de ring moest doen zodat wapens hem geen pijn konden doen.

“Oh, om je linker middelvinger!” antwoordde Betlindis lachende.

Ze pakte de dolk en probeerde Coenraad te steken en hij probeerde zelfs zichzelf te steken, maar het bleek onmogelijk. Toen vroeg hij Betlindis hoe hij de ring kon gebruiken om stenen en rotsen stuk te slaan. Ze begeleidde hem naar de tuin waar een groot rotsblok lag. “Doe de ring om je linker duim,” zei ze, “en je zult zien hoe sterk je hand wordt.” Coenraad deed de ring om en zag tot zijn verbazing hoe hij met een enkele slag het rotsblok in wel duizend stukken had verpulverd. Coenraad bedacht zich dat dit de kans van zijn leven was, een kans die hij wellicht nooit meer zou krijgen. Terwijl ze daar samen stonden te lachen deed hij, alsof hij een spelletje wilde spelen, de ring om zijn linker ringvinger.

“Hee, waar ben je?” riep Betlindis, “Je bent onzichtbaar voor me totdat je de ring weer afdoet.”

Maar dat was Coenraad geenszins van plan; integendeel, hij liep een stuk bij haar vandaan, deed de ring om zijn linker pink en vloog toen als een vogel de lucht in. Toen Betlindis hem zag wegvliegen dacht ze nog steeds dat hij een spelletje speelde. Ze riep: “Kom terug, lief, je hebt nu kunnen zien dat ik de waarheid sprak.” Maar Coenraad kwam niet meer terug. Betlindis besefte dat hij haar bedrogen had. Ze had er bittere spijt van dat ze hem de ring had toevertrouwd.

Coenraad bleef net zolang vliegen totdat hij was aangekomen bij de wijze magiër die hem de taal der vogels had geleerd. De magiër was blij dat de zoektocht goed was verlopen en ging meteen aan de slag om de inscriptie te ontcijferen. Toen hij zeven weken later eindelijk klaar was, gaf hij Coenraad de instructies om Y’arnoth, het gruwelijke monster, te doden:

“Je moet een stevig ijzeren paard laten gieten, met wieltjes onder iedere voet. Je moet jezelf bewapenen met een lans van vier meter lang. De lans zal zwaar zijn, maar je kunt hem dragen door de ring om je linker duim te doen. Het midden van de lans dient zo dik als een grote boom te zijn, maar beide uiteinden dienen vlijmscherp te zijn. In het midden van de lans moeten twee kettingen van elk twintig meter lang zijn bevestigd. Je moet de lans door de kaken van het monster zien te stoten; dat is namelijk zijn zwakke plek. Daarna moet je van je ijzeren paard afspringen en de lans stevig aan de grond vastketenen middels de twee kettingen. Het monster zal blijven proberen om weer los te komen maar dat zal niet lukken. Na twee of drie dagen zal hij zo uitgeput zijn dat je bij hem in de buurt kunt komen. Zorg dat de ring om je linker duim is geplaatst en deel dan de genadeslag uit. Let er bij het naderen op dat je de ring om je linker ringvinger hebt, zodat het monster je niet kan zien. En let er vooral op dat je de ring niet verliest en dat niemand hem middels een sluwe list van je kan afnemen.”

Coenraad bedankte de magiër voor zijn aanwijzingen en beloofde hem, mocht hij erin slagen, rijkelijk te belonen. Maar de magiër antwoordde: “Ik heb zoveel geleerd van de wijsheid van de ring dat ik geen andere beloning hoef.” Ze namen afscheid en Coenraad vloog vliegensvlug terug naar huis.

Toen hij reeds enkele dagen thuis was hoorde hij mensen roepen dat Y’arnoth niet ver weg was en al snel hier zou zijn. De koning riep het volk bij elkaar en verkondigde dat hij zowel de hand van zijn dochter als een groot deel van zijn koninkrijk zou schenken aan diegene die het land zou kunnen bevrijden van het monster. Coenraad stapte op de koning af en vertelde hem dat als de koning hem alles zou geven wat hij nodig had, hij een goede kans zou maken om Y’arnoth te doden. De koning stemde maar al te graag in en zo begon men op Coenraads verzoek met het smeden van het ijzeren paard, de grote lans en de lange kettingen. Toen alles klaar was bleek het ijzeren paard zo zwaar te zijn dat zelfs honderd man het nog niet van de plaats kregen. Er zat voor Coenraad niets anders op dan de ring om zijn linker duim te doen en het paard eigenhandig vooruit te duwen. Y’arnoth was nu zo dichtbij dat zijn zware gebulder de appels van de bomen deed schudden. Joisi, de kleine hofnar, grapte dat het monster een goede bassist zou zijn voor het koninklijke orkest. De koning vond het allerminst grappig en liet Joisi met haar gezicht in de modderpoel werpen. Ondertussen dacht Coenraad na over hoe hij het moest gaan aanpakken. Als hij het paard vooruit moest duwen dan kon hij het paard niet berijden zoals de magiër hem gezegd had te doen. Onverwachts kwam daar een zwarte raaf die hem raad gaf: “Rijdt op het paard, plaats een uiteinde van je lans op de grond en duw jezelf dan voorwaarts, alsof je een boot van de oever afzet.” Coenraad ging op het paard zitten en merkte dat hij zo inderdaad makkelijk vooruit kwam.

Y’arnoth lag daar met zijn enorme kaken wijd geopend in afwachting van zijn prooi. Coenraad beefde van de angst en de koude rillingen liepen hem over het lijf, maar hij wist moed te houden. Met een krachtige stoot duwde hij zich op het paard voorwaarts naar de kaken van het monster. Coenraad tilde zijn lans hoog op en stootte de lans met alle macht naar beneden, dwars door de onderkaak van het monster heen. Nog voordat het monster zijn mond kon sluiten, sprong Coenraad als de bliksem van zijn ijzeren paard. Er klonk een oorverdovende klap; het monster had zijn mond gesloten en zo de vlijmscherpe lans door zijn bovenkaak geboord. De lans stak hoog boven zijn hoofd uit en er stroomde donker bloed langs omlaag. Door de harde slag was de lans nu diep in de grond verankerd en zaten de tanden van het monster vastgebeten in het ijzeren paard. Coenraad haastte zich om de lans middels de twee kettingen te verankeren. Y’arnoth bulderde en probeerde zich met alle macht los te worstelen, maar hij kon geen kant meer op. Zijn staart sloeg zo gewelddadig op de grond dat het land beefde alsof er een aardbeving was – zo hard dat zelfs Joisi, de kleine hofnar, achterover viel in de waterput. De doodstrijd van het monster duurde drie dagen en drie nachten. Toen hij uiteindelijk te uitgeput was om zijn staart te bewegen, besloot Coenraad om Y’arnoth uit zijn lijden te verlossen. Met behulp van de ring pakte hij een steen die zo zwaar was dat twintig man hem niet hadden kunnen tillen. Hij sloeg de steen hard op het hoofd van het monster; en nog eens, en nog eens, net zolang tot het monster levensloos voor hem lag. Y’arnoth was verslagen.

Je kunt je wel voorstellen hoe groot de vreugde onder de mensen was nu het gruwelijke monster verslagen was. Coenraad werd bij zijn terugkomst als een ware held ontvangen. De oude koning hoefde zijn dochter niet te overtuigen om met de held te trouwen, ze wierp zichzelf al meteen in zijn armen — bij haar dappere held die in zijn eentje had gedaan wat hele legers niet waren gelukt. Hun huwelijk vond al binnen enkele dagen plaats en er werd een groots feest gevierd. Koningen en wijsheren kwamen van heinde en verre met de mooiste geschenken voor deze jongeman die de wereld van hun gezamenlijke vijand had verlost. Terwijl er wel vier hele weken feest werd gevierd, dacht niemand er ondertussen aan om het monsterlijke lichaam te begraven. Het lichaam van Y’arnoth was aan het vergaan en de stank die er vandaan kwam was inmiddels zo erg geworden dat niemand er nog in de buurt kon komen. Al gauw was heel de lucht vergiftigd en brak er een plaag uit waarbij honderden mensen het leven lieten. Coenraad, nu prins, besloot om de magiër om hulp te gaan vragen. Hij vroeg de koning en prinses toestemming om naar het oosten te reizen. Ze stemden in en namen afscheid van elkaar. Coenraad deed de magische ring om zijn linker pink en vloog als een vogel door de lucht naar het oosten. Er is echter een oud gezegde dat luidt: “onregt goed gedyt niet”; en zo ondervond Coenraad dat de gestolen ring hem uiteindelijk toch nog ongeluk bracht.

Betlindis, de maagdelijke heks, had geen dag of nacht gerust totdat ze wist waar de ring was. Toen ze er middels toverkunst achterkwam dat Coenraad in de gedaante van een vogel onderweg naar het oosten was, veranderde ze zichzelf in een witte adelaar. Ze vloog zijn richting op en zocht de vogel net zolang tot ze hem gevonden had. Ze herkende hem aan de gouden ring die aan een lintje om zijn nek hing. De witte adelaar streek op de vogel neer en terwijl ze hem in haar klauwen vastgreep, trok ze met haar scherpe snavel de ring van zijn nek af. De adelaar landde met haar prooi op de grond — daar stonden ze dan; oog in oog, weer in menselijke gedaante.

“Ziezo, schurk, nu sta je onder mijn macht!” huilde Betlindis. “Ik gaf je mijn liefde… mijn vertrouwen… en in ruil daarvoor kreeg ik jouw verraad. Je nam mijn meest dierbare juweel van me af! Verwachtte je om als schoonzoon van de koning een lang en gelukkig leven te leiden?” Betlindis pinkte een traan weg, drukte haar neus tegen de zijne en zei: “Vergeet het maar! Nu zijn de rollen omgekeerd, liefje. Je zult boeten voor je verraad.”

“Vergeef me! Vergeef me!” jammerde Coenraad, “Ik zie nu in hoezeer ik je onrecht heb aangedaan. Het spijt me!”

Betlindis antwoordde: “Je bent nu te laat met je gebeden en berouw. Als ik je nu nog zou besparen dan zouden de anderen denken dat ik zwak ben. Je hebt me driedubbel gekwetst; eerst bespiedde je me, daarna toonde je minachting voor mijn liefde en daarna stal je mijn ring. Nu zul je de straf moeten dragen.” Met deze woorden deed Betlindis de ring om haar linker duim, tilde ze Coenraad op en nam ze hem onder haar arm mee. Maar dit keer bracht ze hem niet naar een schitterend huisje, maar naar een afgelegen, donkere grot waar zware kettingen aan de wand hingen. Betlindis ketende Coenraad aan zijn handen en voeten vast zodat hij niet kon ontsnappen. Toen zei ze boos: “Je zult hier tot aan je dood vastgeketend blijven. Ik zal je iedere dag eten en drinken komen brengen zodat je niet sterft van de honger. Je hoeft nooit meer op vrijheid te rekenen.” En zo liet ze Coenraad daar wanhopig en alleen achter.

De oude koning en zijn dochter zaten inmiddels al wekenlang op de terugkeer van de prins te wachten. Hun onrust nam toe, er kwam maar geen nieuws. De prinses droomde regelmatig over hoe haar prins gevangen zat en hij onder een zwaar lijden gebukt ging. Ze smeekte haar vader om al zijn wijsheren en magiërs bij elkaar te roepen, zodat ze samen konden uitzoeken waar de prins was en hoe ze hem zouden kunnen bevrijden. Veel mensen waren echter vertrokken of gestorven als gevolg van de plaag van Y’arnoth. De wijsheren en magiërs die er wel nog waren kwamen niet veel meer te weten dan waar de prinses reeds over gedroomd had. Coenraad zou in leven zijn en zwaar lijden, maar hoewel hij inderdaad naar het oosten was vertrokken, wist niemand waar hij precies was. De koning besloot om zijn gezanten oostwaarts te sturen om daar naar zijn schoonzoon te zoeken. De reis was lang en vermoeiend en de wanhoop nam toe. Op een dag kwamen de gezanten een oude man met een zwarte raaf op zijn schouder tegen — het was de magiër die Coenraad eerder had geholpen met de taal der vogels en het ontcijferen van de inscriptie. Toen de magiër het verhaal van de gezanten hoorde, bood hij zijn hulp aan: “Volgt u mij naar mijn huis, daar kunt u rust nemen en uzelf sterken.” De gezanten stemden in en gingen met hem mee. Terwijl ze daar genoten van een heerlijke maaltijd, vroeg de magiër zijn zwarte raaf om de omgeving te verkennen en goed te luisteren naar wat de vogels te vertellen hadden. De zwarte raaf ging op pad en kwam vier uur later al terug met antwoord. De magiër wist nu voldoende. Hij vertelde de gezanten waar de prins gevangen zat en zei toen: “De prins wordt vastgehouden door een magische kracht. Jullie kunnen hem niet zonder mijn hulp bevrijden. Ik zal me daarom bij jullie aansluiten en met jullie meereizen.”

En zo gingen ze tezamen op pad, geleid door de zwarte raaf. Na enkele dagen kwamen ze bij de grot aan waar de prins inmiddels al zeven jaar lang vastgetekend was. Coenraad herkende de magiër meteen, maar de magiër herkende hem nog maar nauwelijks — Coenraad was veel afgevallen en had nu lange haren en een baard. De magiër ontketende zijn handen en voeten en gaf hem een drank zodat hij op voldoende kracht kon komen om te kunnen reizen. Toen Coenraad na een reis van meerdere jaren weer eindelijk thuis kwam, vernam hij dat de koning een paar dagen geleden was overleden. Met zijn vrouw als enige kind was Coenraad nu de koning van het land. En zo volgde na een lange periode van pijn en verdriet, een periode van vreugde en geluk. Coenraad regeerde tot het einde van zijn leven, maar de magische ring heeft hij nooit meer teruggekregen. De heks en haar ring zijn nooit meer gezien — althans niet door de ogen van een sterveling…

Nu vertel me, als JIJ de prins was geweest, was je dan niet liever bij de heks gebleven?