Iin het laagste deel van de heide, daar waar het gras hoog en zacht was, leefde een sterke, jonge slak. Zijn schelp was mooi lichtgrijs en met perfecte, regelmatige rondingen. Zijn lichaam was zacht en vochtig, precies zoals een slak moet zijn. Maar wat reizen betreft was hij natuurlijk niet zo snel. Niemand van zijn familie was snel. Maar toch, met voldoende wil en geduld zou hij veel van de heide gezien kunnen hebben; en misschien zelfs nog iets van de wereld daarbuiten. Zijn vrienden en buren vertelden hem vaak dat hij eens op pad zou moeten gaan om alle schoonheid in de omgeving te zien, maar hij antwoordde dan altijd dat het hem teveel moeite was. Deze slak reisde geen centimeter te veel.

Er was niemand die meer van verhalen over het leven op de heide hield dan deze slak. Wanneer hij een vriendelijke mier of worm tegenkwam, hield hij ze vaak staande om naar het laatste nieuws te vragen. Een mier vertelde hem over alle nieuws en vroeg toen: “Waarom ga je er niet eens zelf op uit om alles eens met eigen ogen te zien?” De slak zuchtte en zei: “Dat is me te ver.” De mier antwoordde: “Maar je hoeft toch niet heel de afstand binnen een enkele dag af te leggen.” De slak zuchtte weer: “Ja, en dan zou ik voortdurend in de weer zijn.” “Ja dus? Je zou vaak kunnen rusten. Je zou heerlijk in de schaduw van een hoge bloem kunnen slapen.” En weer zuchtte de slak: “Wat heb ik daar nou aan? Ik kan niet van mijn rust genieten als ik weet dat ik weer aan de slag moet.”

En zo leefde hij daar, etende en slapende en wensende dat hij de wereld kon zien en de dieren van het hogere deel van de heide kon ontmoeten. Maar dat zou nooit gebeuren, want de slak was te lui.

Hij stond er nooit bij stil dat de vlinders en kevers het niet leuk vonden dat hij ze steeds staande hield om naar nieuws te vragen. Als hij iets van ze wilde, dan twijfelde hij geen moment om ze te vragen. Ze waren immers van zulke goede wil dat ze altijd wel deden wat hen gevraagd werd.

Er kwam echter een dag waarop hij teveel vroeg. De sprinkhanen hadden hem verteld over een paar overheerlijke planten die even verderop groeiden. De slak verlangde ernaar en vroeg: “Kunnen jullie me er niet iets van brengen? Jullie zijn met zovelen en jullie hebben zulke sterke benen. Als ieder van jullie me nou eens een stukje zou brengen, dan zou ik een goede maaltijd hebben.” De sprinkhanen fluisterden onderling: “Als hij zo graag iets van die planten wil, dan gaat hij er maar zelf voor. We hebben andere dingen te doen.” De sprinkhanen gingen ervandoor.

De slak zat te wachten en vroeg zich af waar de sprinkhanen bleven. Hij dacht voortdurend aan de heerlijke maaltijd die hem te wachten stond. Meer als nadenken deed hij niet. Hij ging er zeker niet zelf op uit.

De sprinkhanen vertelden al hun vrienden over het verzoek van de slak. “Zo’n luie slak, die nergens goed voor is, verdient het om alleen gelaten te worden.” En zo kwam voor een lange tijd niemand meer in de buurt van de slak.

Het werd zomer en het werd heter en heter. De wolken dreven voorbij en hielden hun regen bij zich totdat ze ver voorbij de heide waren. De zonneschijn verdampte de beken en waterplassen. De rivier droogde uit en het water kwam immer lager en lager te staan. Het gras kleurde bruin van droogte. Het was een moeilijke tijd voor de slakken.

Op een dag vertelde een vlinder tegen een paar van haar vriendinnen dat ze een wel heel magere slak had zien liggen. “Het gras rondom hem is opgedroogd,” zei ze, “Ik geloof dat hij aan het verhongeren is, maar te lui is om naar de rivier te gaan. Daar is nog voldoende voedsel voor hem.”

Ze spraken erover en sommigen zeiden dat het geen nut had om een slak te helpen die te lui was om zelf iets te ondernemen. Anderen zeiden dat hij nu te zwak was om voor zichzelf te zorgen. Ze zouden hem voor deze ene keer moeten helpen. En dat is wat ze deden. De vlinders gingen samen met de muggen op zoek naar een goede plek voor de slak. De sprinkhanen, de kevers en ander sterk gekreupel hielpen om de beurt om de slak naar de rivier te rollen. Daar lieten ze hem in het jonge, groene gras achter. De slak sterkte weer aan en werd weer dikker.

Men zegt dat de slak nadien minder lui was, maar niemand weet of dat echt waar is. Wanneer iemand zichzelf toe staat om lui te worden, is het bijna onmogelijk om dat terug te draaien. Hoe dan ook, een ding is zeker: de heidedieren waren, als gevolg van hun daad, nu gelukkiger en beter af.