januari 2017

9 berichten in januari 2017

Eer was eens een minstreel die de sterren van de hemel zong. Op een warme herfstdag liep hij in zijn eentje door het eeuwenoude Imstenraderbos. De weelde van de mooiste kleuren liet hem al zijn aardse zorgen vergeten. De machtige zomereiken en majestueuze beuken gaven hem veel inspiratie voor nieuwe liederen. Toen de minstreel bij de Geleenbeek aankwam, besloot hij om even te rusten. Het gras was er zacht, het stromende water verkoelde zijn voeten en zijn haren deden een dansje met de ruisende wind.De minstreel bedacht zich dat er geen mooiere muziek bestond dan die van het orkest der natuurlijke stilte.

Lees verder →

Eer zijn nogal wat mensen die twijfelen — zelfs in de kleinste dorpen. Vorige kerst vertelde een vrouw me dat ze niet in geesten en de hel geloofde. De hel was volgens haar slechts een achterhaald verzinsel om mensen op het rechte pad te houden. Geesten zouden volgens haar helemaal niet mogelijk zijn op aarde, maar alvermannetjes, waterpaarden en gevallen engelen dan weer wel. Zo ontmoette ik ook eens een man met een tattoo van een Mohawk-indiaan op zijn arm; hij deelde hetzelfde geloof en ongeloof. Waar men ook aan twijfelt, men twijfelt nooit aan de alvermannetjes, want, zoals hij tegen me zei: ‘Die zijn vanzelfsprekend.’ Zelfs de nuchtere, rationele geest ontkomt er niet aan om daarin te geloven.

Lees verder →

Llang geleden was er een haast goddelijk volk in Ierland. Ze werden als helden beschouwd en stonden bekend als ‘De mensen van Danu’ — de godin van kennis en wijsheid. Ze beheersten magische krachten en toverspreuken. Een van hen was koning Lir. Hij was gelukkig getrouwd en had vier lieve kinderen. Op een trieste dag werd zijn vrouw zo ziek dat ze al snel overleed. Het verdriet van Lir en zijn kinderen was groot. “Vader, maakt U zich geen zorgen,” zei zijn dochter Fiona, “ik zal goed voor mijn broertjes zorgen.” Lir troostte haar: “Lieverd, je bent nog te jong. Kinderen hebben een moeder nodig. Ooit zal ik opnieuw trouwen.”

Lees verder →

Eeen meisje uit Tsjechië had een geliefde die tot haar grote verdriet was omgekomen bij een ongeluk. Op een avond zat ze bij zonsondergang langs de weg te huilen. Er kwam een mooie vrouw aangelopen, geheel in het wit gekleed. De vrouw ging naast het meisje zitten en pinkte een traan bij haar weg. “Niet huilen, Katerina,” zei ze, “je geliefde is veilig. Hier, neem deze kruidenring. Wanneer je er doorheen kijkt zul je je geliefde kunnen zien. Hij verkeert in goed gezelschap, draagt een gouden krans op zijn hoofd en heeft een vuurrode zakdoek om zijn middel.”

Katerina nam de kruidenring aan en keek er doorheen. Ze zag haar geliefde op een heuvel dansen te midden van zijn gezelschap. Hij zag bleekjes, maar was knapper dan ooit met die gouden krans op zijn hoofd — alsof ze hem tot prins hadden uitgeroepen.

Lees verder →

Oop een eiland langs de westkust woonde een oude visserman met zijn jonge dochter. De man had macht over de watergeesten en hij leerde zijn dochter de spreuken om ook macht over hen te krijgen.

Op een dag spoelde een boot op het strand aan. In de boot lag een knappe jonge man; bewusteloos, drijfnat en verkleumd van de kou. De oude visserman nam hem mee naar zijn huis zodat hij daar kon opknappen. Eileen, zijn dochter, verpleegde hem. Eileen en de man, Dermot genaamd, werden al snel verliefd. Hij vertelde haar over zijn mooie huis op het vasteland — ze zou er alles hebben wat haar hartje begeerde, van zijden kleding tot gouden muntstukken. Weldra besloten ze met elkaar te trouwen.

Lees verder →

Eeen rijke dame zat ’s avonds laat te borduren. Haar kinderen en dienaren lagen reeds te slapen. Er werd plots op de deur geklopt, “Doe open! Doe open!”

“Wie is daar?” vroeg de vrouw des huizes. “Ik ben de Heks van één Hoorn”, luidde het antwoord. De dame dacht dat het een buur in nood was en opende de deur. Er kwam een klein vrouwtje naar binnen. Ze hield een paar breinaalden vast en op haar hoofd groeide een hoorn. Stilletjes ging het vrouwtje bij het haardvuur zitten en begon razendsnel te breien. Plots stopte ze even en zei: “Waar blijven ze toch? Ze treuzelen te veel.”

Lees verder →

Hhet was een gewoonte om wanneer men ’s avonds water weggooide luid te roepen “Pas op het water”, of letterlijk vanuit het Iers, “Weg met jezelf van dat water”. Men dacht immers dat de geesten van de overledenen dan ronddwaalden en dat het gevaarlijk zou zijn wanneer het water op hen terecht zou komen.

Lees verder →

Daar in het groene dal,
Voorbij de hoge heuvel,
Niemand die er jagen zal
Bang voor het kleine gepeupel.
Een klein volkje, goed volkje,
Altijd druk in de weer.
Met groene jas, rode pet,
En witte uilenveer!

Daar langs de wateroever
Bouwen sommigen hun huis,
Zij leven op pannenkoeken
Van het gele waterschuim.
Sommigen tussen het riet
Van het geelgroene meer,
Met een kikker als waakhond,
Heel de nacht in de weer.

Lees verder →

Eer was eens een arme weduwe. Ze had een dochter zo mooi als de sterren en zo lui als een varken. De arme moeder was het meest ijverig van heel de streek en ze was ook uiterst bekwaam met het spinnewiel. Het was haar hartenwens dat haar dochter ooit net zo handig zou worden. Maar haar dochter stond altijd te laat op, at haar ontbijt voordat ze klaar was met bidden, treuzelde er vervolgens op los en zodra ze iets om handen nam leek het wel alsof ze plots jeuk aan haar vingers kreeg. Hoewel de moeder haar voortdurend achter de veren zat viel er geen land met het kind te bezeilen.

Lees verder →